Lopen wordt liep,
maar hopen niet hiep.
Laten wordt liet,
maar praten niet priet.
Komen wordt kwam,
maar dromen niet dram.
Vragen wordt vroeg,
maar zagen niet zoeg.
Vliegen wordt vloog,
maar wiegen niet woog.
Bieden wordt bood,
maar spieden niet spood.
Vriezen wordt vroor,
maar niezen niet noor.
Lijken wordt leek,
maar prijken niet preek.
Krijgen wordt kreeg,
maar hijgen niet heeg.
Zenden wordt zond,
maar wenden niet wond.
Brengen wordt bracht,
maar mengen niet macht.
Schelden wordt schold,
maar melden niet mold.
Stinken wordt stonk.
maar hinken niet honk.
Geven wordt gaf,
maar beven niet baf.
Treffen wordt trof,
maar keffen niet kof.
Zwellen wordt zwol,
maar bellen niet bol.
Mogen wordt mocht,
maar drogen niet drocht.
Blazen wordt blies,
maar razen niet ries.
Uit: Waarom een buitenboordmotor eenzaam is