Garzón opnieuw voor de rechter

Al sinds 1988 is Garzón als onderzoeksrechter verbonden aan de Audiencia Nacional, een federaal Hooggerechtshof te Madrid dat in 1977 werd opgericht voor de berechting van terroristische daden. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw neemt het hof ook kennis van misdrijven tegen het koninklijk huis en leden van de regering, georganiseerde misdaad, drugshandel en valsmunterij.
De zaak tegen Garzón gaat in feite terug tot de zomer van 2006 toen de socialistische regering van Zapatero het jaar 2006 bij wet uitriep tot het ‘Jaar van de Historische Herinnering’. Er werd een
gelijknamige wet aangekondigd voor de rehabilitatie van de slachtoffers van vervolging en geweld op grond van politieke voorkeur,
ideologie of geloofsovertuiging tijdens de Spaanse burgeroorlog en de dictatuur. De wet kwam er op 27 december 2007. Naast de erkenning van de slachtoffers beoogt de wet de verdeeldheid onder de Spaanse burgers over het collectief verleden weg te nemen en de saamhorigheid tussen alle nog levende Spaanse generaties te bevorderen.
De komst van Garzón staat in direct verband met het feit dat hij in eigen land in staat van beschuldiging is gesteld wegens vermeend ambtsmisbruik. De rechter zou zijn boekje te buiten zijn gegaan door onderzoek te doen naar de misdaden begaan tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) en het daaropvolgende Franco-regime (1939-1976). Wordt hij schuldig bevonden, dan kan hij uit zijn functie worden ontheven voor een periode van maximaal twintig jaar. De rechtszaak wordt wereldwijd met belangstelling gevolgd.
De langverwachte erkenning door de Spaanse overheid van de slachtoffers van de burgeroorlog en de dictatuur was voor veel families aanleiding om bij de Audiencia Nacional alsnog na zestig
of zeventig jaar aangifte te doen van de verdwijningen. Maar liefst
22 organisaties van familieleden en andere belanghebbenden drongen in 2006 bij Garzónaan op het vinden van de lichamen en het vervolgen van de daders. Garzón zag in die aangiften en in de nieuwe wetgeving de rechtvaardiging om een grootschalig onderzoek te starten. Onder zijn leiding werd een unieke database samengesteld met de namen van 140.000 verdwenen personen. Garzón gaf opdracht tot het openen van de eerste negentien massagraven en hij verzocht het ministerie van Binnenlandse Zaken om de namen vrij te geven van de belangrijkste leiders van Falange uit de periode 1936-1951. Inmiddels had de openbare aanklager bij de Audiencia Nacional te kennen gegeven Garzón niet tot dit onderzoek bevoegd te achten.
Eind oktober 2008 bleek dat Garzón evenmin kon rekenen op de steun van de strafkamer van de Audiencia Nacional, die met dertien stemmen tegen vier besloot dat Garzón zich niet bevoegd had mogen verklaren de zaak in behandeling te nemen.
De burgeroorlog, de daaropvolgende Franco-dictatuur en de daarmee
samenhangende vragen over schuld en strafbaarheid liggen in Spanje nog altijd uiterst gevoelig.
Het onderzoek van Garzón stuitte dan ook direct op heftige protesten, vooral afkomstig uit rechtse en ultrarechtse hoek. Twee van
die groeperingen, Falange Española Tradicionalista y de las Juntas de Ofensiva Nacional Sindicalista, kortweg Falange, en Manos Limpias (‘Schone Handen’), hebben begin 2009 bij het Tribunal Supremo – de Spaanse Hoge Raad – verzoeken tot strafvervolging ingediend tegen Garzón wegens ambtsmisbruik. Garzón zou niet de bevoegdheid hebben gehad een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar misdaden uit de burgeroorlog en de Franco-periode.
24.01.2012