Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
Spanje anders bekeken
Drie generaties Coghen in Cádiz
door René Vermeir (Universiteit van Gent)
Van de 16de tot de 18de eeuw vormden de Vlaamse handelaars een belangrijke groep in Spanje. Eén van deze families was de familie Coghen, die zich in de loop van de 16de eeuw in Sevilla vestigde. In slechts 3 generaties bouwde ze een imposant handelsimperium op.
De Spaanse tak van de familie Coghen begint met Domingo (Domenicus) Coghen (1591-1657) die woonde in Diest in het toenmalige Brabant. In 1626 trouwde hij met Ana Cremers die net als hij in Diest geboren was. Ze hadden 6 kinderen, 3 meisjes en 3 jongens.
Familieleden van Domingo waren actief in Diest als eigenaar van een taverne, wijnhandelaar of brouwer. Zijn vader Thomas Coghen (1560-1639) was brouwer en eigenaar van een taverne. Hij werd gemeenteraadslid en later zelfs burgemeester van Diest.

De vraag is natuurlijk: waarom verkoos Domingo om zich in Spanje te vestigen?
In het Archivo de la Real Chancilleria (Archief van de koninklijke Hoge Raad) van Granada bevindt zich een document waarin de echtheid van de titel van adeldom van de familie Coghen betwist wordt. Het dossier bevat echter tal van getuigenissen van Vlamingen en van Spanjaarden die bevestigen dat de familie Coghen al sinds eeuwen beschouwd werd als een adellijke familie. Volgens die getuigenissen moest de familie, nadat ze zich gevestigd had in Sevilla, dus ook als een adellijke familie behandeld worden. Tot het hof in Madrid richtte Domingo al in de 16de een verzoekschrift om vrijgesteld te worden van de betaling van belastingen (de adel betaalde toen geen belasting).

De handel werd in die periode sterk bemoeilijkt door de economische oorlog tussen Spanje en de Republiek. Zowel voor de Spaanse als voor de Vlaamse handelaars had dit nefaste gevolgen.
Toen de vijandelijkheden na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) terug opflakkerenden kondigde koning Felipe IV zelfs een volledig handelsembargo af tegen de Republiek. Vanaf april 1621 mochten de schepen van de Republiek niet meer aanleggen in de Spaanse havens. Dit gold ook voor de havens van de gebieden buiten Spanje die onder de Spaanse Kroon vielen: Portugal, Sicilië en Napels.
De Vlaamse Natie in Sevilla, een groep handelaars afkomstig uit de Habsburgse Lage Landen, stelde alles in het werk om dit embargo te omzeilen. Samen met de Antwerpse handelaars probeerden ze de regeringen in Brussel en in Madrid te overtuigen het embargo op te heffen.

Het begin van het handelsimperium

In 1627 kocht Domingo Coghen een huis in Sevilla en in de vlakbij gelegen gemeente La Rinconada een 'hacienda', een herenboerderij. De hacienda werd zijn eigendom op 9 januari 1628 en omvatte een koetshuis, paardenstallen, tuinen en een wijngaard.
Bij zijn aankomst in Sevilla verbleef Domingo een tijdje in het huis van Andrès de la Vermeyer, een vooraanstaand lid van de Vlaamse Natie van Sevilla. De naam van deze man was Andreas Labermeyer en hij was afkomstig van één van de Duitse Hanzesteden.
Dat hij lid was van de Vlaamse Natie was normaal, want de Natie stond open voor alle personen die afkomstig waren uit het Heilige Roomse Rijk.

In zeer korte tijd slaagde Domingo erin zich door de leden van de gemeenteraad van La Rinconada te doen erkennen als een edelman. Hij genoot van alle privileges net zoals de Spaanse adellijke families die zich in La Rinconada gevestigd hadden. Het statuut van edelman was toen zeer belangrijk: de adel betaalde geen belastingen en genoot van talrijke privileges. Domingo leefde nu als een herenboer die zijn eigen landbouwproducten verkocht. Het is mogelijk dat hij aanvankelijk dacht om producten zoals wijn, brandwijn, mediterraans fruit en olijfolie te verkopen in de Lage Landen.
Als wijnboer knoopte hij aan bij de tradities van sommige van zijn voorouders. In de Vroege Middeleeuwen en tot in de helft van de 16de eeuw waren er in de omgeving van Leuven, Diest, Aarschot en Brussel veel wijngaarden.

De familie Coghen was in Vlaanderen actief in de wijnbouw vanaf het begin van de 15de eeuw. Op het einde van de 16de eeuw, toen de wijnbouw als gevolg van de klimaatsverandering niet meer rendabel was, schakelde de familie over op het brouwen van bier.

De bedoeling van Domingo Coghen was echter niet om zich definitief met zijn gezin in Andalusië te vestigen. Kort nadat hij zijn herenboerderij in La Rinconada gekocht had, reisde hij terug naar de Lage Landen en in 1628 is hij opnieuw in Diest.
In totaal maakte hij vier reizen van Spanje naar de Lage Landen.
Op 3 mei 1641 droeg Domingo Coghen bij notariële akte het beheer van zijn onroerende goederen in Sevilla en in La Rinconada over aan Andreas Labermeyer. De inkomsten van zijn herenboerderij waren bestemd voor de opvoeding van zijn tweede zoon Pablo, die geboren was in 1636. Domingo stelde zijn zoon Pablo ook onder de bescherming van Andreas, die hem opnam in zijn gezin.
Domingo reisde vervolgens terug naar Diest waar hij van 1643 tot aan zijn dood in 1657 woonde. Hij werd er zelfs nog eenmaal verkozen tot lid van de gemeenteraad.

Pablo Coghen en de uitbouw van het Coghen-imperium

Pablo Coghen nam op relatief jonge leeftijd de leiding in handen van het landbouwbedrijf in La Rinconada. In 1651, toen hij slechts 16 jaar oud was, kocht hij een wijngaard in Dos Hermanos met 8.000 wijnstokken.
Dos Hermanos ligt ten zuiden van Sevilla en telde toen zo'n 18.000 inwoners. De villa van Pablo was gelegen aan de Camino Real de la Armada (Koninklijke Weg van de Marine) die Sevilla verbond met Cádiz. Een aantal van de inwoners van Dos Hermanos waren begoede Sevillanen die er boerderijen en wijngaarden bezaten.
Net zoals zijn vader Domingo in 1630 en 1636 werd Pablo in 1649 verkozen tot hoofd van de Santa Hermanidad (Heilige Broederschap) van de adellijke gemeenschap en in 1659 tot burgemeester van Dos Hermanos. In elke Spaanse gemeente van ten minste 30 inwoners waren er toen 2 burgemeesters: één voor de adel en één voor het gewone volk. Ze waren niet alleen burgemeester maar ook rechter en konden vonnissen vellen.

Pablo Coghen wou echter meer: hij wou meespelen in de zeer lucratieve handel tussen Sevilla en Antwerpen. De beste manier om dit te realiseren was het leggen van goede contacten met de grote Antwerpse handelsfamilies. Daarom zocht Pablo zijn bruid in dat milieu, een in die tijd normale procedure.
In 1659 huwde hij in Sevilla met Maria Van Cauwenberghe, vermoedelijk een dochter van de Antwerpse handelaar en zakenman Anthonis Van Cauwenberghe, die net zoals vele Antwerpse handelaars actief was in de Spanjehandel.

Anthonis Van Couwenberghe dreef handel in zijde en was bekend omwille van zijn goede connecties in Spanje in het midden van de 17de eeuw. Tussen de families Coghen en Van Cauwenberghe kwam het tot een zeer innige en lucratieve samenwerking. Ze waren aanwezig in Antwerpen, Sevilla en Cádiz en beschikten over een uitgebreid netwerk van commerciële medewerkers.
Alles wees erop dat Pablo Coghen een prachtige toekomst voor zich had, maar zijn vroegtijdige dood in 1670 op nauwelijks 34-jarige leeftijd verhinderde dit. Zijn weduwe Maria Van Cauwenberghe zette zijn werk verder en concentreerde zich volledig op de handel tussen Antwerpen en Sevilla. Pablo en Maria kregen 3 kinderen: Domingo, Francisco, Tomas Antonio en Juan Pablo. De oudste zoon werd militair, de jongste priester en Tomas Antonio koos voor een zakelijke carriére.
Tomas Antonio Coghen besloot de naam van zijn moeder te gebruiken die hij echter verspaanste tot 'Montefrío'. Zijn volledige naam werd nu: Tomas Antonio Coghen y Montefrío.
Net zoals zijn ouders was Tomas Antonio een inwoner van Sevilla, La Rinconada en Dos Hermanos. In 1686 werd hij in Dos Hermanos officieel erkend als zijnde van adel en in 1714 werd hij er benoemd tot burgemeester.
Maar ondanks zijn officiële functies voelde hij zich toch hoofdzakelijk aangetrokken tot de handel.
Hij huwde met Inès Antonia Leocadia Van Havre, de nicht en de universele erfgename van het echtpaar Juan Van Havre en Adriana Van Kessel. Dit echtpaar had zelf geen kinderen en stond aan het hoofd van een belangrijke handelshuis.
Juan Van Havre was afkomstig uit Antwerpen maar in 1691 liet hij zich naturaliseren tot Castillaans staatsburger.Op die manier kon hij namelijk zonder gebruik te maken van tussenpersonen handel drijven met de Spaanse kolonies. Door zijn huwelijk kon Tomas Antonio nu dus ook participeren in deze zeer winstgevende handel.
Adriana Van Kassel was geboren in Bolduque een stadje in het gedeelte van Brabant dat vanaf 1629 deel uitmaakte van de Verenigde Provincies. Ze had ook familie die in Antwerpen woonde.
Het huwelijk tussen Tomas Antonio en Inès vond plaats in 1695 in Càdiz. Tomas Antonio was toen een zeer gefortuneerd man en zijn fortuin werd op meer dan 4.000 dubloenen (gouden munten) geschat. Samen hadden Inés en Tomas Antonio een patrimonium van ongeveer 14.000 dubloenen, dit is meer dan honderd keer het jaarsalaris van de boekhouder van Tomas Antonio.

Tomas Antonio besloot om samen met zijn echtgenote in Cádiz te gaan wonen. Om succes te hebben in de handel met de Spaanse kolonieën in Amerika moest men in de 2de helft van de 17de eeuw in Cádiz wonen en niet meer in Sevilla.
Direct na zijn huwelijk ging Tomas Antonio een partnership aan met zijn schoonvader en diens broer Diego Van Havre. Ze dreven handel met Noord-Europa en met Italië. Het partnership hield op te bestaan in 1701 met de dood van Jeroen (Diego) Van Havre.
Tomas Antonio richtte vervolgens een nieuwe firma op 'De weduwe Jeroen Van Havre, Tomas Antonio Coghen & Co.' waarvan hij de directeur was. Dit bedrijf bleef bestaan tot in 1725 en kende 24 zeer succesvolle jaren. Het handelsimperium strekte zich in het laatste gedeelte van de 17de eeuw uit van Cádiz en El Puerto de Santa Maria tot Londen en Amsterdam. In de Republiek kocht het bedrijf linnen en kantwerk die ze opsloegen in Cádiz en daarna verscheepten naar Nueva España (de Spaanse kolonies in Amerika) samen met wijn, olie en brandwijn afkomstig van hun landbouwbedrijven in La Rinconada en Dos Hermanos. De familie haalde ook een deel van hun inkomen uit de verhuur van hun huizen in Cádiz en in El Puerto aan reizende handelaars.

De successen van Domingo Coghen en zijn andalusische afstammelingen zijn een mooi voorbeeld van sociale mobiliteit. Dankzij een ingenieuze strategie slaagde Domingo om iets in Spanje te bereiken dat hij in de Lage Landen nooit had kunnen bereiken, namelijk dat hij en zijn afstammelingen opgenomen werden in de adellijke stand.
Wat was de sleutel van zijn succes? Op de eerste plaats de wil en de moed om een deel van zijn kapitaal te investeren in Spanje. Hij deed dit bovendien op een ogenblik dat Felipe IV en zijn Vlaamse onderdanen in oorlog waren met de Republiek. De verhoudingen tussen de Zuidelijke Nederlanden en Spanje waren toen erg gespannen. Domingo nam een groot risico: hij was niet onbemiddeld maar hij was ook niet rijk.
In Sevilla kon Domingo direct rekenen op de steun en de vriendschap van de leden van de Vlaamse Natie. Het sociale netwerk van de Vlamingen dat zich uitstrekte van Antwerpen tot in Andalusië was voor Domingo essentieel om te slagen in zijn onderneming. Zonder de steun van de Vlaamse Natie was hij beslist nooit in de adelstand verheven.

Deze bijdrage is afkomstig uit het boek ‘Encuentros de ayer y reencuentros de hoy’ een uitgave van Academia Press. Surf voor meer informatie over deze uitgeverij naar: www.academiapress.be

Vertaling en bewerking: Herwig Waterschoot.

 

Lees ook: