Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Een vogeltje in een doosje
© Stan Lauryssens
Lluis, mijn Spaanse zoon, was vijf jaar toen ik hem voor het eerst meenam naar zijn familie in Vlaanderen. Hoewel het pas begin maart was, zomerde het in Spanje, maar op Zaventem landden wij onder een grauw, grijs wolkendek. Twee keer knalde de bliksem. Onderweg naar Antwerpen vielen hagelbollen uit de hemel. Daarna regende het. “Papa, is het hier altijd zo nat?” vroeg Lluis in het Spaans. “Bijna,” antwoordde ik en bedacht dat regen altijd nat is, behalve Vlaamse regen, die natter en kouder is dan andere regens in de rest van de wereld. De Keyserlei was somber en mistroostig.

Tegen de schrale stammen van de lindebomen lagen grijze vuilniszakken propvol karton en drinkbekertjes van de Quick. Het centrum leek op een oorlogszone, verwoest en onderkomen, met een voetpad van beton in plaats van plavuizen. De stad is vuil, klagen oude mensen. Zij hebben gelijk. Vijftig jaar geleden was de Keyserlei de Champs Elysées van België. Dames droegen nylonkousen en een bontmantel en de heren een tits van geel stro, zoals Maurice Chevalier. Toeristen kwamen met een touringcar speciaal uit Parijs om het Centraal Station en de Zoo te fotograferen. Naast de Vlaamse Opera stond een oud hotel dat werd gesloopt en vervangen door een lelijk kantoorgebouw. Wat is er aan de hand met mijn stad? dacht ik. Zij gaat om zeeplala.

Wij wandelden naar de Vogelenmarkt. Vroeger verkocht Zwarte Jef ‘groene spekken’ en ‘borstbollen’ tegen de hoest. Alle koopwaar lag gewoon uitgestald op de kasseistenen: zilveren lepels, een oude telefoon, grijsgedraaide LP’s en 33-toeren-plaatjes, lege koekjesdozen, broeken en jassen van Spullenhulp en naaimachines van Singer en De Anker. Zwarte Jef was nergens te bespeuren. Er lagen geen zilveren lepels en jassen van Spullenhulp op de kasseistenen.

Overal groene, blauwe en gele plastic teilen op schragen met Turkse vijgen, Marokkaanse olijven, Algerijnse dadels en shebakia, ghoriba, m’louza, pindafeqqas en andere koekjes en snoepjes uit de patisserie-afdeling van het Midden-Oosten, zoals mini-pannenkoekjes met stroop van suiker, citroensap en honing van sinaasappelbloesem. Om ons te warmen, dronken wij hete muntthee. Vogeltjesmarkt, zeggen de Hollanders.

Bij een guitige verkoper van pluimvee uit het Waasland kocht Lluis een blauwe parkiet in een klein kartonnen doosje. “Spreekt hij ook Spaans?” vroeg ik voor de grap. “Wie?” “De parkiet.” “Natuurlijk!” zei de verkoper. “Wat geef ik de vogel te eten?” “Paella!” zei de verkoper. Het bleef maar regenen. “Kom Lluis,” zei ik, “we gaan terug naar huis.” Eerst brachten wij een bliksembezoek aan Manneken Pis in Brussel en dronken warme chocomelk in Le Roy d'Espagne op de Grote Markt, waar naast de trap naar de WC’s een opgezet paard staat.

Met drie uur vertraging kwamen wij aan in Barcelona. De parkiet lag dood in zijn doosje.

Lees ook: