Wij kenden elkaar pas enkele weken en spraken Frans met elkaar terwijl ik ’s ochtends een uurtje naar een taalschool ging om de eerste beginselen van Spaans en Catalaans onder de knie te krijgen. “Espadrilles,” herhaalde ik. “Een lapje gekleurd zeildoek met een zool van gevlochten touw.” “Ah, espardenyes,” antwoordde mijn vriendin.
Wij hadden allebei gelijk, espadrilles in het Frans, espardenyes in het Catalaans, alpargatas in het Spaans. Wij wandelden van de Rambla (eerst een warm broodje met lomo of salchicha met ketchup en mosterd, een plaatselijke specialiteit) naar een fabriekswinkeltje gespecialiseerd in touw en stro in de Carrer Aragó en kochten genoeg espadrilles, espardenyes en alpargatas om de rest van mijn Spaanse leven nooit meer op blote voeten te lopen.
Tot mijn eigen stomme verbazing stond ik enkele jaren nadien terug in het winkeltje. De oude verkoopster was een paar jaar ouder. Mijn vriendin was ondertussen een andere vriendin geworden. Zij kocht sombrero de paja, een strohoed met een brede rand en een blauw lint. Wij namen een taxi naar de Sagrada Família en klommen naar het hoogste platform vanwaar je op een heldere dag helemaal tot in Madrid kan kijken.
Een zachte wind rukte de sombrero de paja van haar hoofd en met haar vuurrode lippen in een perfecte “o” voor “Oh!” keek zij verbaasd de strohoed met brede rand en blauw lint na die zacht zacht zacht wegzeilde naar de dichtstbijzijnde daken.

Lees ook: