Het was was acht uur ’s ochtends. Het oppervlak van de zee was glad als een spiegel. Met slaapogen wees ik naar het kopje van de vissers en zei: “Voor mij hetzelfde!” ‘Een carajillo?’ vroeg Francesc, de barman. Ik knikte. Gerinkel van tassen en lepeltjes, een gorgelend koffiezetapparaat. Francesc zette een piepklein kopje voor mijn neus, met een bodempje asfaltzwarte koffie.Hij lachte. ‘Un café expreso opgezoet met rum, anijslikeur of Spaanse brandy?’ vroeg hij, schroefde de dop van een fles Marie Brizard en goot mijn piepkleine kopje tot de rand vol anijslikeur. Naast mij stond een Amerikaan. Hij zei dat hij advocaat was en enorm kon genieten van een echte Cubaanse sigaar, een Cohiba, Montecristo, Partagás of Romeo y Julieta die is gerold op de blote billen van een Cubaanse schone. Eén probleempje. In Amerika zijn Cubaanse sigaren niet te koop, als gevolg van het import-embargo op alles wat van Cuba komt. De advocaat vroeg of ik hem uit de nood kon helpen. In een tabakszaak aan de Costa Brava of de Costa Blanca, hij wilde het kwijt zijn, had hij een paar kistjes Montecristo’s gekocht. Hij vroeg of ik de dure sigaren naar zijn advocatenkantoor in Amerika kon zenden. ‘Het postkantoor van Cadaqués is gesloten op dit uur,’ zei de Amerikaan, ‘en ik vertrek zo meteen naar de luchthaven.’ Hij liet een adres in Amerika achter, drie kistjes Montecristo’s en duizend pesetas propina, drinkgeld voor de moeite. De vissers betrouwden het zaakje niet. Zij openden het pakketje, haalden er een handvol Cubaanse sigaren uit en braken ze middendoor. De sigaren waren hol vanbinnen en opgevuld met cocaïne. De vissers van Cadaqués hebben mijn leven gered, dacht ik, bijna was ik de sigaar, en in mijn jeugdige overmoed trakteerde ik iedereen in de bar op een carajillo met rum, Spaanse brandy of Marie Brizard. Ik goot mijn café expreso in één keer achterover. Onmiddellijk speelde mijn maag op, mijn mond schoot in brand en hoewel er een stralende zon aan de hemel stond, zag ik alle kleuren van de regenboog.

Lees ook: