Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Tonijnvissen
© Stan Lauryssens
Zo ver het oog reikt, strekt zich de Middellandse Zee uit, azuurblauw en zonder enige rimpeling, behalve aan het strand, waar de zee groenig kleurt, met een witte rand van opspattend schuim. Een zachte bries waait over het water. De zon gaat onder, het wordt avond. De bergen kleuren vlammendrood, de zee wordt purper en violet. Het laatste licht vloeit weg uit de hemel. In de verte knipogen lantaarns van visserssloepen die met klapperende zeilen langs de kustlijn snokken en een schuimspoor door het water trekken. Onder het maanlicht heeft de zee de kleur van vloeibaar goud. De nacht is mooi en helder, met sterren en strepen en een scharlakenrode rand zoals op een abstract schilderij.

Alles is doodstil.

Alleen de zeemeeuwen miauwen als jonge katjes.

Ik breng mijn hengel en onderlijnen in orde, met scherpe stalen halen en dik nylonsnoer. Als aas gebruik ik verse makreel, caballa, in stukken gehakt. Ik zet mij schrap en klem mijn handen om de hengel en wacht tot de vis met het aas aan de haal gaat. De nylondraad rolt van de molen, langzaam eerst, daarna sneller en sneller, de molen jankt en de hengel kromt zich en het snoer klieft door het water, zinderend als gek, de hengel kraakt en het snoer trilt en de vis raast ervandoor als een duikboot onder water en zoekt snel, snel, snel de diepte op en ik trek aan de hengel en draai aan de molen, trekken en draaien, trekken en draaien, even regelmatig als een machine, trekken en draaien, trekken en draaien, het nylonsnoer z-z-zindert en s-s-snijdt als een scheermes door de zee en langzaam, heel langzaam, trekkend en draaiend, haal ik de grote witte tonijn dichterbij, atún blanco of albacora in het Spaans, de vis ligt als een surfplank op de golven en ineens, zonder waarschuwing, duikt hij in de diepte en breekt het nylonsnoer met een harde droge knal die op een zweepslag lijkt, het snoer siddert over het water als een reusachtige zilveren slang en valt dood naast mijn hengel. De witte tonijn schiet weg, boven en onder en boven en onder water, tot hij aan het eind van de zee over de horizon springt en voorgoed uit het gezicht verdwijnt.

De nacht verbleekt tot poederig blauw. Ochtendzon rijst met een gouden gloed uit het water. De vissersboten varen het haventje binnen. Over het strand hangt een ijle, warme mist. Het is geen mist. Het is de harde, strakke zon die zoveel hitte geeft, dat de zee verdampt tot stoom. Koffiezetapparaten sissen in de dorpjes achter het strand. Het leven komt op gang.

Lees ook: