Thuis merkte ik dat de naam van de visjes ook in andere talen op de verpakking stond. Piccoli sorelli in het Italiaans, Stöker in het Duits en horse mackerel in het Engels. Horse mackerel, paardenmakreel. Paardenmakreel? Dat moet een vergissing zijn, dacht ik, en zette mij voor mijn computer, surfte naar Google en tikte "paardenmakreel" in de zoekbalk. Jawel hoor, paardenmakreel, een zilveren vis, vergelijkbaar met tonijn of barracuda, tot 60 à 70 centimeter lang, houdt zich gewoonlijk op in de buurt van haaien, pijlstaartroggen en zeeschildpadden. Paardenmakreel zwemt in de muil van een haai en pulkt etensresten van tussen zijn tanden. Ik hou van paarden, dacht ik, ik hou van de beroemde Lokerse paardenworst, van paardenbiefstuk, van gerookt vlees van paardje, ik hou ook heel erg van gerookte makreel maar paardenmakreel, zou dat spek naar mijn bek zijn? Op Google vond ik een recept voor tartaar van paardenmakreel met komkommergaspacho. Nee, daar waag ik mij niet aan, ik hou niet van tartaar, voor mij moet alles muy hecho zijn, goed gebakken. Ik schonk mij een glaasje Malaga in en trok het blikje jurelillos open. The proof is in the eating, zeggen de Engelsen. Om te weten of iets smaakt, moet je proeven. Vermits de visjes afkomstig zijn van een fabrikant in Pontevedra in Galicia, vlakbij het beroemde bedevaartsoord van Santiago de Compostela in het groene noordwesten van Spanje, kan ik in geval van nood een schietgebedje bidden, dacht ik. Een mens is nooit te oud om te leren en schietgebedje was niet nodig. De jurelillos smaakten heerlijk, zoals sardientjes, druipend van olijfolie, om duimen en vingers af te likken.
Toch stelde ik mij een vraag: hoe krijgt zo’n fabrikant tien tot twaalf vissen van 60 à 70 centimeter per stuk in een blikje van amper tien centimeter lang en zes centimeter breed? Daar zit Santiago de Compostela voor iets tussen, niet?

Lees ook: