Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Spaanse
moules-frites
© Stan Lauryssens
Toen ik voor de krant werkte, in het begin van de jaren zeventig (van de vorige eeuw, wat worden wij oud, mensen!) riep mijn hoofdredacteur mij bij zich, achter zijn gecapittonneerde deur, en zei: “Stan, het mosselseizoen begint, schrijf een pagina over de beste mosselrestaurants in Antwerpen.”

Dat moet in september zijn geweest, in die tijd waren er alleen mosselen in maanden met een “r” in de maand. Iedere middag en iedere avond trok ik op kosten van mijn krant naar een van vele mosselrestaurants op de Suikerrui en in de buurt van het Centraal Station. Kritiek bestond niet in die tijd, dus alle mosselen waren altijd overal even lekker, mijn pagina over de beste mosselrestaurants beperkte zich tot de hoeveelheid ajuin en selder in de mosselpot en de kwaliteit van de achtergrondmuziek in het etablissement.

Na enkele jaren op de krant had ik genoeg mosselen gegeten voor de rest van mijn dagen, tot ik door de grimassen van het leven mijn land ontvluchtte om in Spanje een nieuw bestaan op te bouwen. Mosselen in Spanje, dat is garnituur in paella of en escabeche, mosselen in blik in een waterige, rode saus.

Toen vrienden op bezoek kwamen - Xaus, de kunstschilder, met zijn rondborstige Teresa - besloot ik in een bui van heimwee en vaderlandsliefde om moules-frites klaar te maken, mosselen op zijn Vlaams. In de plaatselijke mercado kocht ik enkele kilo’s Spaanse rotsmosseltjes zonder baard, mejillónes de roca, klein maar fijn, plus een potje mosterd en een flesje wijnazijn. Ik kookte de rotsmosseltjes in eigen nat, met zout, ajuin en selder, nada más, en serveerde er zelfgemaakte mosterdsaus bij, versgesneden frietjes tweemaal gefrituurd en naar keuze een Belgisch biertje of een jonge witte wijn, lekker koel.

Enkele dagen later vond in heel Spanje het bekende fiesta van San Juan of het feest van midzomernacht plaats, de dag - of juister gezegd, de nacht - waarin de voorbije winter en lente als oude meubels op de brandstapel worden verbrand. Het was lome avond na een zonovergoten dag in juni. Xaus gaf een feestje bij hem thuis.

“Stan, doe mij een plezier, maak nog eens mosselen op zijn Vlaams, por favor,” zei hij. “Met hoeveel zijn jullie?” vroeg ik. “Veertig,” zei Xaus. “Allemaal Spanjaarden?” “Nee,” zei hij, “Catalanen en Valencianen.” Die avond heb ik, onder de vijgenboom, in de hitte van een enorm vreugdevuur, voor veertig uitbundige Catalanen en Valencianen mosselen op zijn Vlaams klaargemaakt, overheerlijk, met zelfgemaakte mosselsaus en versgesneden frietjes tweemaal gefrituurd, en zelfs al was er geen achtergondmuziek tenzij het knetteren van de vlammen en was er geen “r” in de maand, het waren de lekkerste mosselen die Spanje ooit heeft gegeten, beter dan in de beste mosselrestaurants op de Suikerrui en in de buurt van het Centraal Station.

Lees ook: