Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Spaanse kaviaar
© Stan Lauryssens
Lang geleden, toen ik jong en mooi was en de vrouwtjes mij met hun ogen uitkleedden, kreeg ik een telefoontje van iemand die vroeg of ik voor hem wilde werken. Wij spraken af in een bekend restaurant. “Hoe herken ik je?” zei ik. “Ik ben zo rijk,” antwoordde hij, “dat ik de enige ben in het restaurant die een halve kilo kaviaar in één keer leeg lepelt.” Kaviaar, zoals iedereen weet, zijn onbevruchtje eitjes van de steur, een voorhistorische vis uit Rusland, en wordt beschouwd als een echte delicatesse. Het werd laat. Mijn laatste tram was gepasseerd. Hoe kom ik thuis? dacht ik. Alsof hij mijn gedachten kon raden, zei hij: “Maak je geen zorgen, ik breng je thuis, in mijn rode Ferrari.”

Enkele jaren laten was ik op een beurs in Los Angeles en werd door een Amerikaan uitgenodigd om bij hem thuis een glas te drinken en een hapje te eten. “Waar woon je?” vroeg ik. “Waar alle filmsterren wonen,” antwoordde hij. “Hoe kom ik daar?” “Rij mee,” zei hij. Ik stapte in zijn zwarte Rolls Royce. De Amerikaan - hawaiihemdje, korte broek, teenslippers - reed met zijn blote voeten aan het stuur door het drukke verkeer en onderhield mij met brede gebaren over de beste en duurste restaurants in Los Angeles.

Thuis trok hij de koelkast open. Leeg. Of nee, niet helemaal. Er stond één klein, plat potje echte, authentieke kaviaar in, Beluga, met een groen-en-zwart deksel. De Amerikaan schroefde het deksel eraf en wij lepelden het potje leeg. Om eerlijk te zien, Beluga of geen Beluga, de kaviaar smaakte naar kippenstront.

Pas toen de Amerikaan met zijn vinger de laatste eitjes van de steur uit het potje likte, merkte ik dat de vervaldatum met bijna vijf jaar was overschreden.

Enkele maanden geleden verbleef ik op kosten van mijn Spaanse uitgever in Madrid. Het was laat toen ik aankwam in mijn hotel, ik was moe, had geen zin om de stad in te trekken en nestelde mij net voor sluitingstijd in het hotelrestaurant. “Una entrada, señor, om het wachten te verzachten?” vroeg de kelner. “Wat raad je mij aan?” “Spaanse kaviaar, señor.” Nee, dacht ik, voor mij geen kippenstront meer. “Geef mij een gin-tonic,” zei ik. Tijd voor het hoofdgerecht. Ik ben een groot liefhebber van vis, alle vis, en ik denk niet dat ik een moeilijk mens ben. “Welke vis raad je mij aan?” vroeg ik. “Esturión, señor.” Steur. “Russische steur?” “No señor, Spaanse steur uit de Guadalquivir die door Andalusië en Sevilla stroomt.” “Dezelfde Spaanse steur van je Spaanse kaviaar?” “Sí, señor!” “Gracias maar nee, liever niet,” zei ik en ging met een lege maag naar bed.

Lees ook: