Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Spaanse vlieg
© Stan Lauryssens
Oké, paprika kende ik, voor ik naar Spanje verhuisde, ik had zelfs een klant, een Hollander uit de bloembollenstreek, die in zijn vrije uren rode paprika’s kweekte in een serre achter zijn bloembollenbedrijf, maar zoete aardappelen of patatas dulces, uitgesproken met een “b” in plaats van een “p”, batatas dulces, daar had ik nooit eerder van gehoord. Mijn Spaanse vriendin vertelde me dat Christoffel Columbus de zoete aardappel vanuit Latijns-Amerika naar Europa bracht, in het jaar 1500-of-zo, maar dat wist ik niet toen ik op de overdekte mercado voor het eerst oog in oog stond met die droge, lichtjes paarse, langwerpige knollen.
Je moet weten, mijn Spaanse vriendin was niet alleen van alle markten thuis, zij was ook een potpourri van nationaliteiten, met twee paspoorten, een Spaans en een Argentijns, en het hadden er net zo goed drie kunnen zijn want haar grootvader langs moederskant, een Catalaan in hart en nieren, catalán catalanista, emigreerde naar Cuba en verwierf er de Cubaanse nationaliteit.
Ik herinner mij - in de slaapkamer van haar moeder, op een dressoir - een familiefoto in een zilveren lijst: vier Zuid-Amerikaanse indianen met pluimen in het haar en een levende slang om de hals dansen een regendans, onder luid tromgeroffel, en hoewel de foto in zwart-wit was, zag ik meteen dat de indianen veelkleurige gewaden droegen, met frennen en tierlantijnen en witte en blauwe kralen, de kleuren van de Argentijnse vlag.
Mijn vriendin kocht een zak zoete aardappelen.
Ik keek naar de hemel - blauw, stralende zon - en hoopte dat zij geen indiaanse regendans zou inzetten.
“Wat doen we daarmee?” vroeg ik.
“Opeten,’ zei mijn vriendin.
Omdat ikzelf een keer of vier, vijf bij de indianen in Zuid-Amerika ben geweest, in Argentinië, Paraguay, Brazilië en zelfs heel even in Uruguay, loop ik niet hoog op met hun culinaire kunsten.
“Wat eten we vanavond?” vroeg ik.
Een indiaan schudde met een boom.
Er vielen witte, harige rupsen uit.
Orugas,” zei hij en stak een handvol levende rupsen in zijn mond.
Ik mag er niet aan denken. Zuid-Amerikanen zijn geen Piet Huysentruyt of Jeroen Meus en zeker geen Ferran Adriá.

Algo más?” zei de verkoopster op de overdekte markt.
“Heb je ook Spaanse vlieg?” vroeg ik.
Zij lachte uitbundig. “Heb jij dat nodig, Spaanse vlieg?” zei ze.
“Natuurlijk,” antwoordde ik, “je kent mijn motto: hoe heter, hoe beter.”
Enfin, geen Spaanse vlieg.
“Doe er dan een flesje Tabasco bij,” zei ik.
Je moet weten, waar ik van spreek, in die tijd was geen sprake van Viagra. Begrijp je?

Lees ook: