Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Het bed van de Spaanse edelman
© Stan Lauryssens
Vroeger in mijn polderdorp kocht ik mijn witte onderbroeken bij De Wolmolen in de Kloosterstraat. Wij hadden een hondje in die tijd, een teefje dat Mickey heette, een wit-en-zwart gevlekte papillon met een pluimstaart. Telkens wanneer Mickey loops was en bloed verloor, deed mijn moeder haar een van mijn onderbroeken aan, ondersteboven, met haar staart door de slip. Wij hadden ook kippen thuis, duiven, konijnen en twee hamsters in een sinaasappelkistje, maar die droegen geen onderbroek of misschien waren zij nooit loops, dat weet ik niet meer. Op woensdag maakte mijn moeder mijn lievelingsgerecht, krokant gebakken varkenslever met gestoofde ajuinringen en aardappelpuree, lekker smeuïg, met margarine, melk en een eierdooier.

Veel later, toen ik mijn onderbroeken niet langer in De Wolmolen kocht, woonde ik drie maand samen met een blonde, langharige, langbenige schone. Zij was de helft van een tweeling. Wij leerden elkaar kennen op een muziekavond waar Ivan Heylen levensliedjes zong. “Ben je pianist?” vroeg zij. Ik kan zelfs geen blokfluit spelen. “Nee,” zei ik, “waarom?” “Je hebt mooie handen.” Zij kwam uit een passionele liefde met een Spaanse edelman die haar een mondje Spaans, de voordelen van Spaanse vlieg als afrodisiacum en de culinaire genoegens van zijn vaderland had aangeleerd. Wij woonden op de tweede verdieping van een oud herenhuis in de Bexstraat met douche en WC op de overloop. Mijn vriendin had één gave: zij kon niet koken en had heimwee naar de Spaanse vlieg van haar Spaanse edelman.

Iedere avond, drie maand lang, negentig dagen, schotelde zij mij hígado encebollado voor, een Spaanse lekkernij, lichtjes gebakken kalfslever, bijna rauw, met bloemige, gekookte aardappelen die zwommen in het bloed dat uit de Spaanse lever lekte. “Ik heb liever varkenslever,” knorde ik, “krokant gebakken, met een korstje.” “Cállate,” zei mijn blonde vriendin, “zwijg, Spaanse lever is kalfslever.” Enfin, de hígado encebollado was niet om te vreten, ik kotste ervan, echt waar, maar onmiddellijk na de bloedaardappelen doken wij in bed en dat maakte veel goed.

Een van mijn lievelingsrestaurant’s is de Ciro’s op de Amerikalei tegenover het oude gerechtshof. Op woensdag staat gebakken lever met gestoofde ajuinringen en aardappelpuree op het menu, zoals vroeger in de tijd van mijn witte onderbroeken. “Ik woonde zeven jaar in Spanje,” zei ik tegen mijn nieuwe vriendin, “niet één keer heb ik er lever gegeten.” “Nu je oud en versleten bent,” antwoordde zij, “wordt het stilaan tijd om de spoken uit je verleden te begraven. Kom, we gaan naar de Ciro’s, gebakken lever eten.”

Onderweg passeerden wij langs de Bexstraat. Ik keek omhoog naar de tweede verdieping en dacht aan het bed van de Spaanse edelman.

Lees ook: