Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Het meisje van Granada
© Stan Lauryssens
Heb ik al verteld van die keer toen ik bij een postorderbedrijf een cursus Spaans voor beginnelingen bestelde, eerste les gratis? Ik was dertien of veertien jaar. Enkele dagen later stak de postbode een dik postpakket door de brievenbus. De eerste gratis les was een spreekoefening: Tengo una cita con una chica muy guapa, Ik heb een afspraak met een mooi meisje. Er zat een audio-cassette bij, maar omdat ik geen bandopnemertje had, moest ik het zonder hulp stellen. Ik las de tekst hardop voor, in de hoop dat hij zou klinken zoals de twee woorden Spaans die ik had opgepikt in het spannende feuilleton van Zorro op TV. Tenko una zita kon una tsjika muj gwappa. Mijn nieuwe taal liet mij niet meer los. Ik ging naar de bakker om een brood. “Gesneden?” vroeg de bakker. “Tenko una zita kon una tsjika muj gwappa,” zei ik. Bij de kapper in de stoel. “Opgeschoren in de hals?” vroeg hij. “Tenko una zita kon una tsjika muj gwappa,” zei ik.

Enkele weken later was er een ballonwedstrijd in mijn polderdorp ter geledenheid van de jaarlijkse kermis. Er werden een paar honderd ballonnen opgelaten voor een goed doel. Ik schreef mijn naam en adres op een kartonnetje, in mijn schoonste handschrift, en knoopte het kartonnetje met een touwtje aan mijn ballon. Er stond een strakke noordenwind. Misschien drijft mijn ballon helemaal naar de Waddeneilanden, dacht ik, en krijg ik een seintje van Sil de Strandjutter dat mijn ballon op zijn eiland is aangespoeld.

Maandenlang hoorde ik niets. Ik was de ballonwedstrijd helemaal vergeten toen de postbode een brief met een postzegel van Franco in de brievenbus stak, afgestempeld in Granada. Ik bladerde in de Winkler Prins: “Granada, hoofdstad van de provincie Granada in Andalusia, Spanje, aan de voet van het Siera Nevada-gebergte.”

Twintig jaar later reisde ik in volle zomer naar Granada. Het was er zo heet, dat mijn schoenen van mijn voeten smolten. Ik bezocht het Alhambra dat op een heuvel van rode klei staat en wandelde door de Moorse wijk Albaicín. Ineens dacht ik aan de brief met de postzegel van Franco en ik herinnerde mij zelfs het adres: Plaza de Cuchilleros 10, Centro, Granada, een rustige, verkeersvrije straat naast het Plaza Nueva. Op het nummer 10 was een ouderwets winkeltje gevestigd van schoenen, espadrilles en pantoffels en toen ik mijn hoofd om de deur stak, vroeg een gerimpeld oud vrouwtje, helemaal in het zwart, waarmee zij mij van dienst kon zijn.

“Tenko una zita kon una tsjika muj gwappa,” zei ik.

Het oude vrouwtje schudde het hoofd. Weer zo’n malle toerist, dacht zij.

Lees ook: