Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Le beau Léon
© Stan Lauryssens
Ik woonde een jaar in Spanje en mijn Spaanse vriendin was hoogzwanger. Wat wil je, hahaha, met een man zoals ik. Bovendien had ik goed geboerd, wat in die tijd niet moeilijk was voor wie een beetje zijn talen sprak en niet bang was om de handen uit de mouwen te steken.

Om het kind een naam te geven: ik huurde een oude binnenkoer tegenover het Museo Picasso, stapelde de binnenkoer vol T-shirts, posters, postkaarten en baldosas of muurtegels waarop ik handig de beroemdste schilderijen van Picasso had gekopieerd (of laten kopiëren) en verkocht mijn mini-museum aan de zoon van een rijke textielbaron uit Sabadell voor 23 miljoen pesetas, belastingvrij vermits het een transactie was tussen twee particulieren.

Kort nadien werd mijn Spaanse zoon geboren. Vanaf de eerste dag noemde ik hem Lluíske, Lluís met het achtervoegsel ‘ke’, kleine Lluís of el pequeño Lluís. Na enkele weken sprak iedereen in de familie, alle Catalanen, alle Spanjaarden, over Lluíske alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, terwijl niemand wist dat het achtervoegsel ‘ke’ in ons boerenvlaams gewoon ‘kleine’ betekent.

Wie het breed heeft, laat het breed hangen. Ik opende een winkeltje van een zakdoek groot in het Centro de Anticuarios tegenover een van de beroemdste gebouwen van Gaudi. Het winkeltje naast dat van mij was twee zakdoeken groot en werd ook door een Belg uitgebaat, Léon uit Brussel, le beau Léon, gul, goedlachs en goed in ‘t vlees. Léon sprak een perfect mondje Vloms Brussels, de taal van zijn hart, doêgen on a stuk, maar enkel thuis, nooit in zijn winkeltje. Hij verkocht oude vulpennen en versleten horloges met de flair van een marktkramer op de Zavel of op het Vossenplein.

Dat Léon iets op zijn kerfstok had, ik rook het aan zijn adem, maar vermits de pot de ketel niet verwijt dat hij zwart ziet, heb ik Léon nooit gevraagd waarom hij zich in Spanje schuil hield. ’s Middags zaten wij samen aan de bar van het Centro de Antiquarios en lunchten met een dagschotel van rape met aardappelen, arroz con sepia en su tinta of soms, op de warmste dagen, gewoon een ensalada mixta met groene olijven en tonijn uit blik, waarna Léon La Vanguardia en Le Soir las.

Na de lunch trok hij zich voor een siësta van anderhalf uur terug tussen zijn vulpennen en versleten horloges en iedere keer opnieuw, terwijl hij zich in een krakende oude zetel liet zakken, zuchtte hij: “Zo’n Spaanse dagschotel kan lekker zijn maar toch gaat er volgens Léonke niets boven Brusselse stoemp met worst!”

Voor volgende maand staat een weekje Spanje op mijn programma. Hoe zou Léonke het stellen, daar in zijn krakende oude zetel in het Centro de Anticuarios?

Lees ook: