Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Torremolinos
© Stan Lauryssens
Ze zeggen dat Torremolinos aan de Costa del Sol een spookstad wordt. Aan winkels, restaurants en hotels hangt een bord met de tekst Se Vende of Se Alquila, te koop of te huur, en wat niet te koop of the huur staat, is zo versleten dat het onder de loden zon verkruimelt tot stof en as. Ik ben er één keer geweest, in Torremolinos, jaren geleden, een weekje, en logeerde in een hotel dat inderdaad een spookhotel was. Volgens de toeristische folder keek mijn kamer uit op een strand van maagdelijk wit zand met daarachter een azuurblauwe zee, maar dat was vóór een corrupte aannemer een Berlijnse Muur van beton had gemetseld tussen de zee, het strand en het hotel. Ik had betaald voor volpension. Over het ontbijt zwijg ik in alle talen. Lunch was sla, sla en weer sla, overgoten met olijfolie en wijnazijn - zonder de wijn, vermoed ik. Als avondmaal had ik de culinaire keuze tussen sla met een piepklein stukje gefrituurde vis of een piepklein stukje gefrituurde vis met sla. Er was in die tijd een oud en een nieuw Torremolinos. In het ‘nieuwe’ stadsgedeelte deden Broodje van Kootje en een Indonesisch meeneemrestaurant goede zaken. Nadat ik op genoeg sla had gekauwd om er voor de rest van mijn dagen een indigestie aan over te houden, ontdekte ik in het ‘oude’ Torremolinos een klein, fijn en gezellig visrestaurantje waar ik avond na avond een overheerlijke suquet heb gegeten, de beste ooit, een dikke, saffraankleurige vissoep in een schaal van aardewerk met stevige rape of zeeduivel, langousines, gambas, Spaanse mosseltjes, rijpe tomaat en gekookte, lichtjes geconfijte aardappelen. Hmmm, zo lekker, om duimen en vingers af te likken. Het restaurant luisterde naar de naam El Tulipán, wat ik heel exotisch vond. Ik sprak geen Spaans in die tijd, zelfs geen toeristenspaans, en wist niet dat tulipán gewoon Spaans is voor tulp.

Vele jaren later woonde ik zelf in Spanje en werd een halve Spanjaard. Het liep tegen de avond. Daglicht trok uit de hemel. Mijn Spaanse vriendin zette mij pica-pica voor, avond na avond, droge worst en olijven met torrejas als toetje, een Spaanse versie van gewonnen brood geweekt in witte wijn met suiker en honing en gebakken of opgewarmd in de pan.

‘Ik heb een idee,’ zei ik.

‘Ik luister,’ antwoordde mijn Catalaanse vriendin.

‘We vliegen naar Torremolinos voor een lekkere saffraankleurige suquet in het gezelligste visrestaurantje ter wereld.’

De scheldwoorden die mijn vriendin mij naar het hoofd slingerde, neen, ik durf ze niet opschrijven, maar geloof me: zij leerde mij vloeken in het Spaans, waarna cabrón en maricón of lul en flikker en andere vulgariteiten voorgoed deel uitmaakten van mijn woordenschat. Ik dacht, zoals het geen toeval is dat een toro, een stier, symbool staat voor Spanje, zo is het geen toeval dat een ezel, un burro, het symbool van Catalonië.

Lees ook: