Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Spaensche pap
© Stan Lauryssens
Mijn eerste maanden in Spanje, mijn nieuwe land, ik herinner het mij alsof het gisteren was. Ik werd bevriend met Xaus, een Spaanse kladschilder, vurig en abstract, in de stijl van… tsja, van wie eigenlijk? Voor hij kladschilder werd, was Xaus kiekenpoelier in een overdekte markt, waar hij (dode, gepluimde) kippen en ander gevogelte verkocht. Zijn echtgenote Teresa, ook vurig en abstract, had een Catalaans zeeroversmaal bereid van wild konijn met pulpo de roca, langostinos en caracoles of wijngaardslakken die zo vers waren, dat zij zelfs gaargestoofd levend en wel uit de pot kropen.
Wij dronken sprankelende cava uit het binnenland van Sitges en vertelden elkaar de meest onwaarschijnlijke verhalen.
Hoe het kwam, ik weet het niet, maar ineens een pijnscheut, alsof iemand een dolk in mijn rug stak, mijn rug blokkeerde, ik kon mijn glas niet aan mijn lippen brengen, kon mijn armen niet bewegen en de pijn kroop omhoog tussen mijn schouderbladen.

In de wachtkamer van de Clínica Corachan legde ik mij languit op de grond. Dokter Sandiumenge nam mijn bloeddruk. Hij liet mij rondjes rijden op een fiets met een hartslagmeter en schoof mij in een scanner die geleek op een vliegende bom uit de Tweede Wereldoorlog. Niks, nada, noppes. Dokter Sandiumenge zei dat ik zo gezond was als een vis.
“Maar dokter,” zei ik, “wat doen we met mijn rugpijn?”
Dokter Sandiumenge antwoordde dat vanaf een zekere leeftijd rugpijn wordt veroorzaakt door overdreven seksuele aktiviteit.
Hij vroeg hoe vaak ik bim bam boem deed.
“Tien keer per dag,” zei ik lachend, “maar met mijn rugpijn nog maar acht keer.”

Ik werd doorverwezen naar de kliniek van Nuestra Señora del Pilar. Een bejaarde kloosterzuster zei dat ik mijn broek moest afstropen. Ik maakte een kruisteken en liet mijn broek zakken. De kloosterzuster bette mijn bezwete voorhoofd met alcohol, zoog een gifgroene vloeistof in een fietspompachtige injectienaald en plofte de naald in mijn achterwerk.
Als bij toverslag verdween mijn rugpijn.

Enkele weken later was mijn Spaanse vriendin zwanger.
Om de zwangerschap te vieren, en ook om de rest van de cava leeg te drinken, werden we opnieuw uitgenodigd bij Xaus en Teresa en weer kwam er wild konijn met pulpo de roca, langostinos en caracoles of wijngaardslakken op tafel.
“In vroeger eeuwen,” zei ik, “was er in het land vanwaar ik kom een heel erg dure of ‘diere’ lekkernij die luisterde naar de naam Spaensche pap en die een soort Spaanse hutsepot was van vlees, vis en groenten.”
Spaanse pap inspireerde een rijmdichter – Jacob Cats, om zijn naam niet te noemen – tot volgend vers:

Geef een ander Spaensche pap,
Die is voor mij al te slap,
Ick en wil geen vreemde kost
Die sijn meester diere kost.


“Die Jacob Cats, zeker een zuinige Hollander?” vroeg Xaus.
“Dat spreekt vanzelf,” antwoordde ik.

Lees ook: