Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Sneeuw
© Stan Lauryssens
Ik had het in jaren niet gehoord, ‘het Iberisch schiereiland’ als synoniem voor Spanje en ineens stond het daar, zwart op wit op papier en woonde ik van de ene dag op de andere in een ander, zonniger land. Een nieuw leven, een nieuwe taal, met nieuwe mensen met andere gewoonten om me heen, clar i català, wat zoveel wil zeggen als: Catalaan van het zuiverste water, harde werkers maar altijd ongedurig, altijd wispelturig, zonder besef van dag of nacht, ik geef je op een briefje, dat zijn een harde noten om te kraken en het gevolg was: eenzaamheid en bittere tranen.
Het was hartje winter, 22 graden Celcius. Ik zat met Ana, mijn Spaanse vriendin, op een terras in de zon nabij de rots van Sitges, bij een cerveza en een bord paella, en verlangde hartstochtelijk naar de eerste sneeuw van het nieuwe jaar.
“In Spanje sneeuwt het zelden of nooit,” zei mijn vriendin.
’s Nachts slaapwandelde zij door het huis, koptelefoon op het hoofd, luisterend naar Spaanse weerberichten.
Zij rukte aan mijn schouder. “Het sneeuwt!” riep zij, half in paniek.
Opeens was ik klaar wakker. “Waar?” vroeg ik.
“In de Pyreneeën.”
“Is dat ver van hier?”
“Een kleine tweehonderd kilometer.”
Pal in het midden van de Pyreneeën ligt de top van de Canigou – in wolken gehuld – die Spanje als een muur van sneeuw afsluit van de rest van Europa.
“Tweehonderd kilometer is te ver,” zei ik.

“Montseny is maar zestig kilometer,” zei Ana.
“Ligt daar ook sneeuw?”
“Ja.”
“Hoeveel?”
“Zestig centimeter.”
“Meer dan genoeg,” zei ik.
Lluís was drie jaar. Ik wekte ons zoontje.
“Hoera!” riep ik in het Spaans. “We gaan skieën!”

Ik bezat wel een zwembroek, een opblaasboot, zwemvinnen en een snorkel maar geen ski’s, geen warme wanten en ook geen sneeuwslee.
“Hebben we een kartonnen doos in huis?” vroeg ik.
Ana was er niet gerust op. “Durf jij rijden op sneeuw?” vroeg zij.
“Geen probleem,” zei ik, “ik begeef me al m’n hele leven op glad ijs.”

De flanken van de Montseny zagen zwart van het volk.
Het was een glorieuze winterdag, koud en helder, geen wolkje aan de azuurblauwe hemel. Wij wierpen sneeuwballen naar elkaar en bij gebrek aan een slee gleden wij in een kartonnen doos van de berg die als een verjaardagstaart oprees uit het golvende land van Ampurdán. Overal op de berg werden sneeuwmannen gemaakt, met twee, drie, vier hoofden boven op elkaar, om mee naar huis te nemen, want ’s anderendaags zag ik tientallen auto’s wild claxonnerend door Barcelona rijden met op het dak van iedere auto een langzaam smeltende sneeuwman met twee, drie, vier hoofden boven op elkaar.
Ineens voelde ik mij minder eenzaam en alleen en tranen bleven achterwege.

Lees ook: