Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
De tijd valt stil
© Stan Lauryssens
Ik ben geen toerist, nooit geweest. Toen ik in Spanje woonde, ging ik nooit naar een museum, ook niet naar het stierenvechten, hoewel ik iedere dag langs de arena reed – of toch, één keer in Madrid. Tegen de tijd dat de stier had geleerd om de banderillas met weerhaken te ontwijken, was het helaas te laat: het grote zwarte beest zat vol gaten en bloedde leeg en zakte door de knieën en de matador in zijn goudversierde pak (letterlijk: doder, matar = doden, afslachten) sneed zijn oren af.

Toen ik voor het eerst in Spanje arriveerde, kwamen er een paar miljoen mensen op straat, iedereen lachte en zong en danste en zwaaide met republikeinse en Catalaanse en Baskische vlaggen.

Ik dacht: “Zo’n hartelijk welkom, waaraan heb ik dat verdiend?”

Later leerde ik dat Generalísimo Franco die nacht was overleden.

Om een dode generaal te vieren, daarvoor trok ik niet naar Spanje. Ik ging naar Spanje om van de zon en de liefde te leven, niet om bloed te zien of donkere meesterwerken van dode kunstschilders.

Mijn Spaanse vriendin wachtte mij op aan de luchthaven.

Zij droeg espadrilles met zwarte linten rond haar enkels.

“Duiken we meteen in bed?” vroeg ik.

Mañana,” antwoordde zij.

Ik ken dat, dacht ik, we zijn hier in Spanje, met een beetje geluk en goede wil kan mañana morgen zijn, maar net zo goed volgende week of volgend jaar… of nooit.

De rest van de dag ging traag voorbij.

Op het middaguur wees de thermometer achtentwintig graden.

Eerst wandelden wij een eindje over de Ramblas – bloemenstalletjes, vogelverkopers, souvenirwinkels, de plaatselijke opera, een erotiekhal en de beroemdste overdekte markt ter wereld – en dronken een melkachtige horchata van amandelen op het terras van Bar Zurich waar in vroeger tijden Ernest Hemingway coctails dronk. De ronde klok in de gevel van Bar Zurich was stilgevallen op vijf voor twaalf.

Mijn nieuwe leven begint goed, dacht ik, ik kom aan in Spanje en de tijd valt stil.

Langzaam vergleed het uur van de siësta.

Een hond blafte op zijn Spaans.

“Hou je van stierengevechten?” vroeg ik.

Mijn Spaanse vriendin zuchtte. “Zoals een toro, een stier, het symbool is van Spanje,” zei ze, “zo is een ezel, un burro, het symbool voor Catalonië.”

Ik begrijp het, Catalanen zijn ezels, dacht ik.

Mijn vriendin leerde mij vloeken in het Spaans en smokkelde cabron en maricón en andere vulgariteiten in mijn woordenschat en toen wij voor het eerst naar Madrid reden, in haar knalgele Ford Fiesta, plukten wij doornappels van de doornappelstruiken die er zomaar in het wild langs de weg groeiden en brouwden er een hallucinogeen drankje van, een soort vloeibare marihuana, dat mijn hoofd op hol deed slaan.

Zij bestelde een bordje tapas die leken op gefrituurde oogballen.

“Spanje is een gekkenhuis,” zei ik.

De nada,” lachte mijn Spaanse vriendin, “graag gedaan.”



Lees ook: