Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
De barbier van Sevilla
© Stan Lauryssens
Wij wandelden over Paseo de Gràcia, mijn Spaanse vriendin en ik, hand in hand als twee geliefden hoewel Ana acht maand zwanger was. Omdat ik toen geen boeken schreef (ook geen columns, trouwens) maar leefde van de liefde, was ik hopeloos gelukkig. Wie schrijft, zit met muizenissen in het hoofd en geloof me, prettig is anders. In plaats van te schrijven, verkocht ik postkaarten en T-shirts aan toeristen en andere zonnekloppers. Ik keek naar mezelf in de uitstalramen van Cortefiel, Hotel Majestic en het beroemde Casa Battló van Antoni Gaudí.

“Mijn haar is te lang,” zei ik. “Mi pelo es demasiado largo. Ik heb een knipbeurt nodig.”

“We zijn vlakbij Llongueras,” zei Ana, “de beroemdste kapper van Spanje. Hij heeft salons in heel de wereld, zelfs in Argentinië en Japan. Llongueras is ook de kapper van de koning.”

Zij ging op een terras zitten en bestelde een cortado met koude melk in een klein glaasje, corto de café, meer melk, minder koffie, terwijl ik mij in de moderne kapperszaak met tientallen wastafels in een zetel van rood plastic liet zakken die meer weg had van een martelwerktuig.

“Scheren?” vroeg de kapper.

“Nee, wassen, knippen en föhnen.”

“Woon je lang in Spanje?”

“Een paar jaar,” zei ik.

“Fransman, zeker?”

“Nee, Belg.”

“Ik ken maar twee Belgen,” zei de kapper en jongleerde met zijn schaar. “Hercule Poirot en Tintin. Hercule Poirot heeft een pruik van vals haar op zijn hoofd en zijn snor is ook vals.”

Tintin is Kuifje,” zei ik.

De kapper lachte. “Genoeg geknipt,” zei hij.

“Nu al?” vroeg ik.

De radio speelde Spaanse pop-rock van Vincent y sus Van Goghs gevolgd door Paul Anka, Esso Besso in het Spaans en Lady of Spain, waarna iemand aan de knoppen draaide en De barbier van Sevilla uit de boxen galmde en de kapper zette zich in postuur voor de spiegel en haalde diep adem en zong uit volle borst de beroemdste aria ter wereld mee.

Fííííííí-Figaro-Figaro-Figaro-ohhh-óóóhhh.

Of toch iets in die aard.

Een paar duizend pesetas armer stond ik terug op Paseo de Gràcia. Ik zette mij op het terras aan het tafeltje bij Ana en bestelde een café con leche met een croissant en mijn lievelingstapas, een bordje chipirones fritos met een halve citroen.

“Llongueras is geen kapper,” zei ik, “dat is een operazanger.”

Ana bestudeerde mijn haar. “Heeft hij iets gezegd over de koning?” vroeg ze.

“Welke koning?”

“Juan Carlos, wie anders?”

“Nee,” zei ik, “alleen over Hercule Poirot.”

Wat ik allemaal heb meegemaakt, in die tijd, ik kan er een boek over schrijven, maar waarom zou ik dat doen? Mijn kippen schrijven ook geen boeken en toch zijn zij gelukkig.



Lees ook: