Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Shampoo
© Stan Lauryssens
Heel lang geleden verdiende ik zoveel geld, dat ik niet naar de coiffeur om de hoek ging, zoals een “normaal” mens, nee ik nam een vroege vlucht van Sabena naar New York, business class, liet mij in een taxi van de luchthaven naar Manhattan voeren en plofte moe maar opgelucht bij Vidal Sassoon in de kappersstoel. In die tijd was Vidal Sassoon de kapper van de stars. Zijn salon aan 56th Street was unisex, mannen zowel als vrouwen. Jeremy Irons, Michael Caine, Terence Stamp, Mary Quant en Mia Farrow (die korte coupe in Rosemary’s Baby!) stonden in de rij om vakkundig te worden geknipt. Meteen nadat ik was gekortwiekt, zowel op mijn hoofd als in mijn portemonnee, spoedde ik mij naar de Russian Tea Room, bestelde een traditionele borscht, een soort ossestaartsoep met rode bieten, een hete aardappel en zure room, en vloog terug naar Brussel met hetzelfde vliegtuig waarmee ik die ochtend was gekomen.

Enkele jaren later woonde ik in Spanje met een Spaanse vriendin en een Spaans-Vlaams zoontje. Mijn geld was verdwenen als sneeuw onder de zon en ik knipte zelf mijn haar, in mijn blootje in de badkamer voor de spiegel, terwijl ik met mijn blote voeten op La Vanguardia stond om het haar op te vangen dat van mijn schouders op de grond viel.

Met mijn laatste geld kocht ik een supersnelle Alfa Romeo, een sportmodel met alles erop en eraan. Om de auto “in te rijden” vergastte ik mijn vriendin en mijn zoontje op een snel ritje heen en terug naar Zwitserland. Tussen de bergen in de buurt van Basel viel mijn oog op een plaatselijk coiffeurssalon dat adverteerde met... shampoo van Vidal Sassoon. Ik dacht, Sassoon kan ik niet betalen, die tijd is voorbij, maar iedereen wast zijn haar, ook ik, en waarom zou ik mijn haar niet wassen met shampoo uit New York? Ik stapte het salon binnen. Er waren geen kleine of middelgrote flacons te koop, enkel Wash & Go in bidons van vijf liter. Ik dacht, neem ik twee bidons mee, dan kom ik een tijdje toe.

Ik zette de bidons in de koffer van mijn Alfa Romeo, tussen grote klompen Gruyère, Emmentalkaas en tabletten van Toblerone en Lindt, de beste Zwitserse chocolade die wij onderweg hadden gekocht, en door berg en dal vatte ik de terugweg aan.

Aan de Frans-Spaanse grens hield een Spaanse douanier mij tegen.

“Algo que declarar?” vroeg hij.

“Nada,” zei ik.

Ik moest mijn koffer openen.

Door het schokken van de auto waren de de bidons scheefgezakt en de draaistoppen van de bidons losgekomen met als gevolg dat mijn koffer één grote shampoo-smurrie was en de Emmentalkaas en Gruyère en de Toblerone en chocolade van Lindt zwommen in de vettige brij van de shampoo van de stars.

De douanier lachte in zijn vuistje.

Eigen schuld, dikke bult, dacht hij.

– maar dan in het Spaans.



Lees ook: