Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Het paard van Sinterklaas
© Stan Lauryssens
In die tijd woonden wij – mijn moeder, stiefvader en ik – in de Brederodestraat op ’t Zuid, niet het “hippe” Zuid van het Museum voor Schone Kunsten en café Hopper maar aan de overkant van de Leien, “op ’t vuil Zuid” van krotten en kraakpanden. Op de binnenkoer was één schijthuis voor vier gezinnen, een plank met een gat in een stinkend hok. Armoe troef. Mijn stiefvader werkte bij de Candico, de suikerfabriek nabij de Brug van den Azijn in Merksem, een van zijn twaalf stielen en dertien ongelukken. Hij was maaglijder en stond op een dieet van kalfsvlees, havermoutpap en Petit Suisse. Na iedere maaltijd zat hij urenlang op het schijthuis op de binnenkoer, dubbelgeplooid en kreunend van hier tot ginder. Mijn moeder verkocht pralines in de Grand Bazar op de Groenplaats.

Ik was een echt kasplantje. Altijd ziek. Rodehond, bof, mazelen, windpokken. Die ochtend zat ik in pyjama achter het raam van mijn slaapkamertje op de eerste verdieping en keek naar Ciné Forum aan de overkant van de straat waar iedere zaterdagmiddag Gaston Berghmans en De Woodpeckers optraden en droomde van...

Trams 12 en 24 trokken zich rinkelbellend door de straat.

“Stany, haast je, Sinterklaas is Er!” riep mijn moeder.

“Waar? Waar is Hij?”

“Kijk, daar! Aan de Overkant!”

“Is hij alleen?”

“Nee nee, Zwarte Piet is Erbij!”

“Komen zij uit Spanje?”

“Natuurlijk! Zwarte Piet is Helemaal Aangebrand door de Zon!”

Mijn moeder sprak in hoofdletters en uitroeptekens.

Ik trok mijn beste kleren aan – schoenen, grijze wollen kousen, een bruine pofbroek zoals Kuifje en een gele trui die mijn moeder zelf had gebreid, met één te lange en één te korte mouw – en haastte mij naar beneden.

Sinterklaas reed op het mooiste paard dat ik ooit had gezien, helemaal wit, met zwarte ogen en zwarte neusgaten waaruit om de paar seconden wolkjes warme stoom ontsnapten. Behalve een valse baard, een staf en een mijter droeg de heilige kindervriend een zijden mantel met goudstiksel en gouden laarsjes van zacht kalfsleer, geen ordinaire Adidas of Reeboks zoals de Sinterklazen van tegenwoordig.

“Hoe heet je, mooie jongen?” vroeg Sinterklaas.

“Stany,” zei ik.

“Mooie jongens spreken met twee woorden, Stany.”

“Stany, Sinterklaas,” zei ik.

“Zing eens een liedje voor mij, Stany,” zei Sinterklaas.

Ik kon niet zingen, nog altijd niet, ik ben muzikaal doof, maar ik deed mijn best.

Sinterklaas kapoentje

Leg wat in mijn schoentje

Leg wat in mijn laarsje

Dank U Sinterklaasje

“... en wat wil Stany dat de goede Sint voor hem brengt?”

“Twee dingen, Sinterklaas,” antwoordde ik. “Maar of mijn schoentje daar groot genoeg voor is, dat weet ik niet.”

Zwarte Piet keek naar mijn schoenen. “Valt best mee,” zei hij.

“Ik wil een paar bokshandschoenen, Sinterklaas,” zei ik, “en een grote zak met steentjes.”

“Waarom bokshandschoenen, Stany?” vroeg Sinterklaas.

Ik was een echt betwetertje in die tijd, vroegrijp, vroegrot, en zei: “Of dat in Spanje ook zo is, Sinterklaas, dat weet ik niet, maar hier om de hoek, op de Leien staat ieder jaar een bokskraam op de Sinksenfoor, in een tent van hout en zeildoek met een draaiorgel naast de kassa. Een kermisbokser gooit een bokshandschoen tussen het publiek en roept: ‘De lutte met den beer. Wie durft? Wie niet waagt, niet wint!’ De beer is een echte grizzly, Sinterklaas, wel tweehonderd kilo zwaar en stinken, niet te geloven. Over zijn klauwen zitten leren lappen met namaakbloed van suiker en zwarte siroop. Iedere Sinksenfoor roept mijn stiefvader: ‘Ik waag, ik win!’ en stapt met de beer in de ring. Drie seconden, langer duurt het niet. De beer geeft een klap oep zijn bakkes en mijn stiefvader brult van de pijn en de mensen maar roepen en tieren terwijl de zwarte siroop in het rond spat en ik... ik sta daar en doe het in mijn broek van de schrik. Ik wil ook boksen, Sinterklaas, niet om klappen te krijgen maar om de lutte met den beer te winnen.”

Sinterklaas trok de pluizige dotjes watten op zijn wenkbrauwen heel hoog op.

“Ben je er zeker van dat het geen echt bloed maar namaakbloed is, Stany?” vroeg hij achterdochtig.

“Oh goede Sint,” zei ik, “mijn stiefvader werkt bij de Candico, hij weet alles van suiker en zwarte siroop.”

Zeker twintig mensen luisterden mee waaronder de visboer van de winkel op de hoek die stonk naar rotte vis, de eigenaar van het kaashandeltje bij wie ik iedere avond voor mijn stiefvader om een Petit Suisse ging en zelfs Gaston Berghmans en de twee Woodpeckers.

“... en waarom wil je ook een grote zak met steentjes, Stany?” vroeg Sinterklaas.

“Voor mijn moeder, Sinterklaas,” zei ik. “Op het eind van iedere maand, als ik met mijn schoolrapport thuis kom, zucht zij: ‘Weer twee buizen. Tien op tien op alle vakken maar een dikke nul voor opstel en gedrag. ’t Wordt tijd dat je gaat werken en een steentje bijdraagt in het huishouden.’ Mjn stiefvader zet mij als straf naast het stinkend schijthuis, Sinterklaas, met mijn blote knieën op een harde kokosmat, mijn boekentas met gestrekte armen boven mijn hoofd. De boekentas zit vol strijkijzers. Laat ik haar per ongeluk een halve centimeter zakken, dan kletst mijn stiefvader met een meetlat op mijn blote voetzolen. Geef mij alstublief een zak met steentjes voor mijn moeder, Sinterklaas, dan krijg ik geen slaag meer en mag ik misschien verder studeren.”

Zwarte Piet noteerde alles in een groot kasregister.

“Wat wil je later worden, Stany?” vroeg hij.

“Jager op Groot Wild!” zei ik.

Soms sprak ik ook in hoofdletters en uitroeptekens, dat had ik van mijn moeder geleerd.

Iedere zaterdag galoppeerde de bereden rijkswacht door onze straat, in zwart gala-uniform, op prachtige volbloedhengsten op weg naar de groet aan de vlag in de kazerne aan de Wezenberg die toen een echte berg was, enfin, een hoopje opgespoten Antwerps zand. De hoeven van de paarden vonkten op de tramrails. Na de doortocht van de rijkswacht lag de straat vol dampende paardenstront. Hoe het kwam, ik weet het niet, nog steeds niet, maar plots begon een van de volbloedhengsten vervaarlijk te hinniken terwijl er een gigantische, zacht wiebelende kachelpijp van tussen zijn achterpoten schoot en de hengst steigerde en gooide de rijkswachter uit het zadel en stormde op het paard van Sinterklaas af en boorde zijn kachelpijp in de brede kont van de witte merrie, daar bij ons in de Brederodestraat, onder het oog van de visboer en de eigenaar van het kaashandeltje en Gaston Berghmans en de twee Woodpeckers en...

Zoiets had ik nooit eerder gezien en Sinterklaas en Zwarte Piet vast en zeker ook niet want in Spanje, waar zij wonen, daar kennen ze geen kachelpijpen vermits de zon er iedere dag schijnt, zelfs ’s nachts, en terwijl het paard van Sinterklaas zachtjes schokte en schommelde en warme stoom als een blaasbalg uit de zwarte neusgaten spoot, dacht ik, de lutte met den beer op de Sinksenfoor, da’s andere paté dan smeerpaté.

Mijn stiefvader stond in de deuropening, op zijn kemelharen pantoffels, handen in de broekzakken.

“Niets is er veranderd in al die jaren,” zuchtte hij.

“Wat bedoel je, pa?” vroeg ik.

“Waar de rijkswacht passeert, jongen, daar blijft stront achter,” zei hij en schudde het hoofd.


Dit verhaal verscheen onder de titel "Toen de rijkswacht het paard van Sinterklaas neukte" als een Sinterklaasverhaal-voor-volwassenen in dagblad "De Morgen".

Lees ook: