Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Picasso
© Stan Lauryssens
Wat een ironie! Het Spaanse museum van de rijkste kunstschilder ter wereld, van nu en alle tijden, is gevestigd in de Barri Xinès of Barrio Chino, de zogenaamde ‘Chinese’ wijk, een armoedebuurt van arbeiders, zeelui, hoeren, junkies, drugsdealers en migranten. Enkel een tussenmuur van stenen en beton scheidt kunst van de ellendige sleur van het dagelijkse leven en toch is er niemand die in opstand komt, de schilderijen van de muren rukt en door het venster smijt.

Omdat mensen brave mensen zijn.

Ik moest hieraan denken toen ik onlangs nog eens door Barra de Ferro (= Spaans voor “ijzeren staaf”) flaneerde, de smalle steeg waarin ik in een vorig leven een boetiek uitbaatte van posters en postkaarten. Twee volle jaren heb ik er mijn zweet gelaten, van de vroege ochtend tot de late avond. In die twee jaar kreeg ik meer bedelaars, hoeren en straatlopers over de vloer dan toeristen en kunstkopers, zelfs meer dan er sterren aan de hemel staan.

Er wandelde eens een opgefokte kerel in mijn boetiek die mij aankeek met glazige ogen. “Geef me duizend pesetas,” zei hij in het Spaans, “nu onmiddellijk of ik sla hier alles kort en klein.”

“Doe maar,” antwoordde ik.

In plaats van alles kort en klein te slaan, liep hij op hoge poten naar het museum aan de overkant, stak een speelgoedpistool onder de neus van een suppoost en ging met de kassa aan de haal.

Spaanse toestanden, ik kan ervan meespreken.

Op de stoep tegenover het museum zaten alle uren van de dag enkele haveloze bedelaars die op een gitaar zonder snaren tokkelden en postkaarten verkochten die zij in mijn boetiek hadden gepikt.

Er kwam een agent naar mij toe.

“Storen de bedelaars je?” vroeg hij.

“Nee,” zei ik, “waarom? Leven en laten leven. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Wat mij stoort, is de waarde van de schilderijen in het museum, honderden en honderden miljoenen pesetas, misschien wel meer, en wat kost zo’n doek eigenlijk? De prijs van een paar tubes verf.”

Dat vonden de bedelaars een goeie mop en diezelfde nacht, bij kaarslicht, tekenden zij met kleurkrijt een Picasso voor de ingang van het museum, met drie schele ogen, twee neuzen en een oor of vier en zetten er een kartonnetje bij met de tekst:

Echte valse Picasso, waarde: 100.000.000.000 pesetas.

Toen ’s ochtends de eerste toeristen eraan kwamen, rammelden de arbeiders, zeelui, hoeren, junkies, drugsdealers en migranten met hun bedelblikjes en onmiddellijk regende het muntstukken en bankbiljetten, zoveel ineens, dat de bedelaars op het uur van de siësta met zijn allen in het nabijgelegen restaurant Nou Celler (= Catalaans voor “nieuwe kelder”) konden genieten van una auténtico paella española op open vuur met calamares, mosseltjes, chorizo, reuzengarnalen en gestoofd konijn.

Met andere woorden, waar een Picasso goed voor is.



Lees ook: