Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
De gangster van Alicante
© Stan Lauryssens

In mijn linkerhand hield ik een boek van John Steinbeck dat ik met aandacht las, iets over Spaanse paisanos in Californië, met mijn rechterhand bereidde ik een klassieke tortilla op Spaanse wijze. Flinterdunne aardappelschijfjes, zachte, zoete ui in ringen, peper, zout en daaroverheen vijf, zes geklutste eieren van Spaanse kippen met gele en rode pluimen in de kleuren van de Spaanse vlag. Dat de titel van het boek Tortilla Flat was, verbaast niemand die mij zo’n beetje kent. Door het open raam keek ik naar de hemel. Stralendblauw, zo ver het oog reikte, en zinderend van zon en hitte.

Ik kon de zilte geur ruiken van de zee die zich mengde met het kisssssen en spetteren van hete olijfolie in mijn braadpan.

Ik glimlachte en keek naar buiten en plots, zomaar uit het niets, heel in de verte van over de zee kwam een gigantische stofwolk op mij af, in sneltreinvaart. Een toestel van Iberia dat onderweg was van Madrid naar de luchthaven van Alicante en afremde en aanstalten maakte om te landen werd door de rode stofwolk opgeslokt en verzwolgen en verdween voorgoed uit het gezicht.

De wind stak op, met een duivelse kracht, en blies rood zand in mijn tortilla en ik sloot haastig het raam en dacht, “De laatste keer dat ik zo’n stofwolk zag,” dacht ik, “was in een echte Hollywoodfilm, zo’n dertig jaar geleden, in Lawrence of Arabia met Peter O’Toole verkleed als Arabier tussen de bulten van een woestijnkameel,” en ik keerde mijn braadpan ondersteboven op een groot plat bord en de tortilla die eruit gleed was zo perfect, zo volmaakt dat beroemde chef-koks als Pedro Huysentruyt en Pedro Goossens er een puntje aan kunnen zuigen.

Sentase,” zei ik, “ga zitten, de tafel is gedekt.”

Er werd op de deur geklopt.

De oude man in de deuropening liep mank en sleepte zijn been achter zich aan. Hij noemde zich Antonio en droeg een bril met een gouden montuur van Cartier. Ooit was hij kapitein op een schip ter lange omvaart, daarna zat hij een half leven in de gevangenis, nu werkte hij als nachtportier in Hotel Rambla en slenterde zijn dagen vol langs de Paseo de la Explanada en de marina van Alicante.

Ik praatte graag met hem, hij vertelde mooie verhalen.

Een bliksemschicht en een knallende donder, lang en lui, die pijn deed aan de oren. Blaffende honden. Een knetterende, sputterde bromfiets.

“We krijgen regen,” zei Antonio, “regen gemengd met rood zand dat door de wind uit de Sahara van Afrika wordt opgeschept en duizenden kilometers meegevoerd. Spanjaarden noemen het barro of rode regen, bloedregen.”

“Antonio, vertel me eens hoe je aan die mankepoot komt,” vroeg ik.

Antonio glimlachte. “Och,” zei hij, “mala suerte. Gewoon pech. In de haven van Villanova nabij Tarragona liep ik tegen de lamp met een container gesmokkelde sigaretten tussen de lading van mijn schip. Ik zette het op een lopen en de policía náutica – de zeevaartpolitie – vlamde drie ballen in mijn heup. Vergeven en vergeten, la vida continua, het leven gaat voort. Vertel me over je boek van Steinbeck en mag ik nog een driehoekje van die heerlijke tortilla op Spaanse wijze?”



Lees ook: