Schrijf u in op onze nieuwsflash
e-mailadres:


twitter
stan lauryssens
Een mond vol smoelentrekkers
© Stan Lauryssens

De wereld swingt als de pest en wat doe ik? Ik struikel door het leven en stoot mij aan loszittende stenen. Ik heb heimwee. Heimwee naar wat? Naar alles. Een jazzy melodietje speelt door mijn hoofd. Tuuuu-dum. Stilte. Tuuuu-dum. Stilte. Muziek van vijftig jaar oud en toch lijkt het alsof zij gisteren op plaat werd gezet.

Ik zucht, kruip voor mijn scherm en bedenkt dat ik eens een stukje moet schrijven over mijn liefde voor simpele Spaanse hoofdpijnwijn van de cooperativa.

Eerlijk, ik ken niets van wijn en toch drink ik het graag, ongelooflijk graag, rood, wit, op warme zomerdagen zelfs een glaasje rosé of twee, rosado in het Spaans. Wijn is een godendrank zeggen de mensen en voor één keer hebben de mensen gelijk.

Tot het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw dronk ik zelden wijn hoewel ik het geld liet rollen in vooraanstaande hotels in de wereld: het Grand Hotel in Stockholm, Georges V in Parijs, Hotel Cipriani in Venetië en het Plaza Hotel in New York. Geld was geen probleem. Geld stinkt, zeggen de mensen. Geld is het slijk der aarde. Tweemaal flauwekul. Hoe meer geld je hebt, hoe beter het ruikt. Ik was de trotse bezitter van een wijnkelder vol edele wijnen met het etiket naar boven en de hals naar buiten. Petrus Pomerol, Latour en Pichon-Longueville uit de beste wijngaarden van de vorige eeuw. Op de meeste flessen lag stof van jaren, de etiketten waren broos en verkorrelden van ouderdom. Op de onderste schabben lag de beste champagne: Moët et Chandon, Dom Pérignon, Veuve Clicquot, Krug met een langwerpige hals. Het waren showflessen want ik was een bierdrinker, met mate: liefst van al dronk ik een bolleke met een schuimkraag als opgeklopte slagroom.

Natuurlijk was ik jaloers op mensen die in de loop van de ochtend rustig enkele glaasjes witte wijn dronken en een calvados of twee, in de namiddag een paar pinten schuimend bier nuttigden met tussendoor een pernod of twee en toch zelden of nooit dronken thuiskwamen en met een kater ontwaakten. Zelf hield ik het voor het slapengaan heel bescheiden op een Elixir d’Anvers of een Hollands pruimenlikeurtje.

... tot ik in Spanje ging wonen en ’s ochtends door mijn Spaanse vriendin werd gewekt met geboterde croissants en een heerlijk sprankelende cava uit Sant Sadurni d’Anoia om de hoek van de familiemasía waar wij de zomermaanden in ledigheid doorbrachten.

’s Avonds na de siësta of juister gezegd ’s nachts vermits de avond pas na middernacht begon, kwam de karaf uit de cooperativa op tafel, tot de rand gevuld met een smeuïge witte wijn met de kleur en de stroperigheid van olijfolie. Toen ik de wijn voor het eerst proefde, trok ik een gezicht alsof ik een smoelentrekker in mijn mond stak maar ik raakte zo vlug gewend aan die rare zure smaak die ook bitter en tegelijk zoet was dat ik mij in de eerste uren van de ochtend moest vasthouden aan mijn stoel om niet van zattigheid op Spaanse grond te vallen.



Lees ook: